Arnhem
Ah2: De tak Jacobus Gerardus | Ah3: De tak Johannes | Ah4 Johannes Albert | Ah4 J.A.C. | Ah4 Rose Marie

Johannes Albert Sleijster ( Ah4 )
>>> Pieter Johannes> Johannes Albertus + Cornelis Johannes + Johan Albertus Cornelis

Malburgse veerhuis en steenfabrieken
van 1862 - 1898 eigendom van achtereenvolgens J.A., C.J. en J.A.C. Sleijster

Hier volgt een gedeelte van de tekst uit "5.3 Het veerhuis...":

Het Malburgse Veer met het veerhuis behoorde vanouds tot domein van de hertogen van Kleef, later de koning van Pruissen...

De bezittingen rond het Malburgse veer behoorden tot het deel dat verkocht werd door De Smeth, inclusief veerhuis en recht van overvaart. Koper in 1862 was Johannes A. Sleijster (1789-1864), koopman te Arnhem. 

Na zijn dood in 1864 volgde zijn zoon Cornelis J. Sleijster (ca. 1825-1878) hem op. Cornelis heeft de nodige sloopwerkzaanheden en verbouwingen laten uitvoeren aan de gebouwen binnen zijn eigendomsgebied. Hij liet zowel de steenoven A 215 als het huis met steenoven A 204 in 1865 afbreken. De beide percelen werden vervolgens samengevoegd tot perceel A 228, erf, ter grootte van 24.70.
Omstreeks 1881 vond er een terreinsverandering plaats op dit perceel, mogelijk afgraving of afticheling. Zijn weduwe Hermina Weenink (1838-1899) volgde Cornelis Johannes Sleijster op als eigenaar. In 1887 bedroeg de oppervlakte van haar bezittingen bijna 54 hectare. Men verbouwde een pand op het perceel van het veerhuis in 1886. Aan de omschrijving in de kadastrale legger te zien bouwde men er n of meerdere schuren bij. In 1887 luidde de omschrijving van perceel A 219 immers "huis, schuren en erf".

Toen de weduwe van C.J. Sleijster op leeftijd kwam, kwamen haar bezittingen op naam te staan van haar zoon Johannes A.C. Sleijster (1862-1912), koopman te Arnhem. Mogelijk gebeurde deze overschrijving in 1894. Tijdens de bezitsperiode van J.A.C. Sleijster vond er in 1898 een redresmeting (hermeting) van het erf van het veerhuis plaats, waardoor het kadastraal nummer van het (veer)huis, schuur en erf wijzigde in A 315, met de grootte van 24.20 are.

In 1898 verkocht de familie Sleijster de bezittingen aan Rudolph M.O.H. Engelsing (ca. 1862-1934), Hugo W.J. Engelsing (ca. 1865-1902) en Derk J. Driessen, allen koopman te Arnhem. Zij kochten onder meer de uiterwaarden bij het veer, het recht van overvaart en het veerhuis met erf en schuur (nu wordt nog maar n schuur genoemd!). Wat zij precies van plan waren met de gekochte gronden, blijkt als ze in 1899 hun gekochte gronden onderbrengen in een nieuw opgericht Vennootschap: de Firma Engelsing Driessen te Arnhem, ook genoemd "Steenfabriek Malburgen". De vennoten waren alle drie steenfabrikanten in Arnhem. In totaal bezaten ze bij de oprichting van de Firma ruim 52 hectare grond, waaronder het veerhuis, een tweede huis en steenovens met loodsen.

In 1899 al verkochten ze direct hun hele bezit aan Hendrik Chr. van der Houven van Oordt, lid van Gedeputeerde Staten van Gelderland, wonend te Arnhem. Daarbij hoorde weer het recht van overvaart (A 197bis) en het veerhuis met schuur en erf (A 315, groot 24.20 are). Meteen daarop richtte hij een vennoot- schap op, de N.V. "Rijnoevers" te Arnhem. Die N.V. verkocht in 1904 de door ons gevolgde percelen aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Zij bezaten in 1905, na de aankoop, in Huissen bijna 7 hectare grond. Vermoedelijk had dit te maken met de verlegging van de Rijn. Het recht van overvaart werd vermoedelijk bij Ministerile Missive van 17-09-1927 opgeheven. Het perceel A 315 van huis, schuur en erf werd nog in 1905 opnieuw opgemeten en samengevoegd met perceel A 316, teelland. Het nieuwe perceel A 343 (huis, schuur erf en tuin) was groot 68.50 are.

Hierna raken we het spoor van het veerhuis kwijt. Vermoedelijk is het niet lang na 1905 gesloopt om plaats te maken voor de verlegging van de Rijn. Enige tijd later werd het nieuwe veerhuis, verder westelijk, in gebruik genomen.

Hier volgt een tabel van de eigenaren:
vr 1371 - 1809 Hertogelijk (koninklijk) domeingoed
1809 - 1809 Roelof Vermeulen
1809 - 1859 Theodorus baron de Smeth
1859 - 1862 erfgenamen Theodorus baron de Smeth 
1862 - 1864 Johannes A. Sleijster
1864 - 1878 Cornelis J. Sleijster
1878 - 1894 Hermina Sleijster-Weenink
1894 - 1898 Johannes A.C. Sleijster
1898 - 1899 Gebroeders Engelsing en D.J. Driessen
1899 - 1899 Firma Engelsing Driessen te Arnhem, ook genoemd "Steenfabriek Malburgen"
1899 - 1904 N.V. "Rijnoevers" te Arnhem
1904 - na 1905 Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bron, met meer informatie en verwijzingen: Het veerhuis...

Meer in: De steenfabrieken van de Sleijster-familie in de Malburgse polder...

Meer in: In de ban van de Betuwse dijken (Rijksonderzoek) (pdf)...
 



En pijp staat er nog

 ( Ah4 )